Categoriearchief: MULO-periode

In a Gadda da Vida – The Iron Butterfly

Ad Visser koos voor zijn radioprogramma SuperCleanDreamMachine graag langere, toendertijd als psychedelisch aangemerkte, nummers. De drumsolo in In a Gadda da Vida maakte een bijzondere indruk op mij en na wat sparen kon ik de plaat van Iron Butterfly kopen. De tekst van het liedje zei me eigenlijk weinig, maar toendertijd – en eigenlijk nog steeds – gaat het mij om de muziek zelf met een jazz session achtige compositie. Pas later begreep ik dat de titel In a Gadda da Vida eigenlijk In the Garden of Eden had moeten zijn, althans dat wil de mythe. De tekst zou daar inderdaad beter bij passen.

Eigenlijk had ik toen nog geen eens een platenspeler. Ik moest de plaat opnemen met de platenspeler van mijn ouders om die vervolgens met mijn bandrecorder op mijn kamer af te spelen. Ik had zelf een versterker en ook een FM-tuner in elkaar geprutst aan de hand van bouwpakketten en dergelijke. De luidsprekers had ik ook zelf gebouwd.

Het nummer was de B-kant van de hele LP en nam met zijn 17 minuten een flinke hoeveelheid magneetband in beslag. Al gauw vond ik de nummers aan de andere kant minder interessant en die verdwenen dan weer van de band. Daarvoor in de plaats kwamen andere muziek, vaak van de radio.

Fleetwood Mac

Sony-o-Matc TC900-S

In de zomers kon ik vakantiewerk doen en met het verdiende geld heb ik rond 1968 een heuse bandrecorder gekocht, een TC900-S van Sony. Hoewel de spoelen maar 8 cm waren was de bandloopsnelheid laag, ik koos de laagste snelheid van 4,75 cm/s want dan kon je lekker lang met een bandje doen, ongeveer 30 minuten. Omdraaien kon ook en dan had je een uur muziek.

Opnemen van de radio was goed te doen, maar dan kwam er vaak gepraat doorheen. Zo was er het razend populaire programma SuperCleanDreamMachine van Ad Visser. Een supergaaf programma dat tegenwoordig zijn gelijke niet kent. Je kunt op de webstek de muziek nog eens horen. Het enige nadeel was de – op zich origneel uitgevoerde – voice-over van Ad Visser. Vele dinsdagavonden in bed hiernaar liggen luisteren. Daarna kwam ook een goed programma Candlelight van Jan van Veen. De zweverige manier waarop hij de gedichten voordroeg stond me niet zo aan, maar de muziek was prima.

Op school was een bluesband ontstaan, Scapa Flow noemden ze zich. Hun inspiratie bestond onder andere uit Fleetwood Mac en ik kon wat nummers van een schoolmaatje overnemen. Zo kwam ik voor de eerste keer in aanraking met hun – wat mij betreft – topnummer Oh Well . De andere nummers op de betreffende langspeelplaat – ik zou echt niet meer weten welke dat was – maakten minder indruk op me.

Veel later – toen ik het bandje al lang en breed weer kwijt was – heb ik de verzamel-langspeelplaat nog eens beluisterd. Toen werd ik ook nog wel bekoord door the Green Manalish . Mijn voorkeur voor wat langere nummers was toen een feit. Na nog eens luisteren naar die verzamelplaat vind ik nu alle nummers wel wat hebben.

Ekseption

In het begin van mijn mulo-periode begon de groep Ekseption furore te maken. Na verloop van tijd kon ik een grammofoonplaat er van bemachtigen. Bijna alle nummers van de plaat vond ik wel goed, maar the 5th vond ik – met vele anderen – een goede mix.

Op een gegeven moment was ik een soort disc jockey en speelde platen bij schoolfeesten die mensen mij aan kwamen brengen. Ik had zelf niet veel platen die hier goed voor waren maar ik had er ook wat van mijn zus meegenomen. Bij de paar keren dat ik dat deed – zoveel schoolfeesten waren er nou ook weer niet – was steeds de opzwepende Sabeldans van Ekseption het meest favoriet. Het kwam voor dat ik deze wel vier keer op een avond draaide.

In later jaren begon hun muziek me wat tegen te staan. Bovendien begonnen ook anderen het idee op te pakken, zoals James Last. Het werd eigenlijk meer van hetzelfde zonder veel verassingen. In later jaren heb ik nog – tweedehands – hun dvd The story of Ekseption gekocht om nog eens terug te kijken naar die tijd en te luisteren naar hun nummers. Mijn mening is daar niet door veranderd.